Het beginsel van fair play moet ervoor zorgen dat bestuurlijke organen en gemeenten eerlijk handelen wanneer ze besluiten nemen en de burger beschermt. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid de burger de mogelijkheid geeft om zijn procedurele kansen te benutten en daarbij zorgt voor een eerlijke gang van zaken. Voorbeeld: Een handhaver mag de burger niet frustreren in de mogelijkheid op te komen voor zijn recht en belangen. De burger moet de gelegenheid krijgen zijn standpunt en daarbij horende feiten naar voren te brengen en te verdedigen. De overheidsinstantie speelt daarbij open kaart en geeft actief informatie over de procedurele mogelijkheden die de burger kan benutten. De handhaver dient zich te allen tijde eerlijk en fatsoenlijk te gedragen. Dit geldt zowel voor zijn of haar actief als passief handelen. Indien nodig, dient de handhaver in sommige situaties zelfs informatie te verschaffen of de burger te waarschuwen. Het fair play-beginsel normeert voorts het niet ‘fair’ aanwenden van de bevoegdheden van de handhaver. In de sportcultuur is fair play een gangbaarder begrip als het gaat om sportief gedrag te stimuleren. Tijdens een game bestrijd je elkaar, ben je elkaars grootste vijand, maar ook is er respect voor elkaar. Wie deze code overtreedt, komt aan de professionele code van ‘bad sportmanship’ en valt onder de categorie ‘dit is niet chill’.